Direct door naar content
10 dingen die ik als rolstoeler NIET hoef te horen afbeelding nieuwsbericht

10 dingen die ik als rolstoeler NIET hoef te horen

25 februari 2018

Sacha (27, grafisch ontwerper, samenwonend) zit in een rolstoel en maakte voor ons deze top-10 aan opmerkingen die echt niet hoeven.

1. 'Kan ik je helpen?'
‘Dit hoor ik graag van bankbediendes, de kapper of verkoopsters als ik voor hun balie sta. Het is minder fijn om te horen als ik mijn rolstoel uit mijn aangepaste auto til en openklap. Heus, alles is onder controle. Als ik echt hulp nodig heb – de lekkerste koekjes liggen altijd in het hoogste schap – dan ben ik uitstekend in staat om je aandacht te trekken en hulp te vragen. Alles wat ik zelf kan doen is me nou eenmaal heilig.’

2. 'Waarom zit je in een rolstoel?'
‘Het is natuurlijk geen bewuste levenskeuze dat ik hierin zit. Het is persoonlijk en het zijn je zaken niet. De beste manier om erachter te komen wat er is gebeurd, is een goede vriend of vriendin van me te worden en misschien vertel ik het dan wel een keer uit mezelf. Je vraagt ook niet aan iemand waarom hij kanker of een hersenbloeding heeft gekregen, onvruchtbaar is of kaal is.

3. 'Kom, laat mij maar even’
‘Je zou nooit een ander mens over je schouder slingeren om hem of haar drie meter verderop neer te zetten of een stoep op te helpen. Blijf. Van. Mijn. Rolstoel. Af. Ook als ik in de weg sta, ook als ik sta te dubben over een stoep. Mensen zonder rolstoelervaring hebben meestal geen idee hoe je er het handigst mee omgaat, laat het maar gewoon aan de experts zoals mijzelf over.’

4. 'Leuk dat iemand zoals jij ook naar het café / theater gaat'
‘Van mijn moeder moet ik deze opmerking laten gaan, omdat mensen het 'goed bedoelen'. Maar ik vind het toch idioot, omdat iemand die dit zegt ervanuit gaat dat een rolstoeler niets met zijn of haar leven doet. We horen in de publieke ruimte thuis, net als iedereen. Prijs me niet omdat ik precies hetzelfde doe als jij.'

5. 'We zouden misschien beter voor optie twee kunnen gaan'
‘Ik heb het meegemaakt dat ik in een restaurant geen menukaart aangeboden kreeg. Dat een arts (!) met mijn moeder over mij praatte waar ik bij zat (voor alle duidelijkheid: ik was toen 25 jaar). En dat de klant die ík telefonisch binnen had gesleept over mijn hoofd heen het gesprek voerde ('We zouden misschien beter voor optie twee kunnen gaan') met een collega die alleen maar was aangeschoven voor de financiën - en de ballen verstand heeft van websites bouwen. In mijn geval doen mijn benen het niet en dat lijkt me minder erg dan een bord voor je kop hebben.’

6. 'Wat goed van je om er gewoon op uit te gaan'
‘Ligt de lat zo laag voor rolstoelers? Het is neerbuigend om ervan uit te gaan dat het een worsteling voor me is om buiten te komen. Ik ben helemaal niet dapper,  ik heb gewoon brood en melk nodig.’

7 'Na mijn gebroken been heb ik óók een tijdje in een rolstoel gezeten, ik weet precies hoe het is'
‘O, popje toch, heb je een vreselijke maand in een rolstoel gehad voor je weer op krukken mocht hobbelen? Je hebt een fractie meegemaakt van mijn leven en bent toen weer tot de lopers gaan behoren. Je hebt geen idéé hoe het is om voor altijd verlamd te zijn. En ik heb geen zin om vriendelijk knikkend je verhaal aan te horen.’

8. 'Rij me niet omver!'
‘Deze komt meestal van een wat oudere dame of heer die met gevoel voor drama opzij stapt of zich tegen een muur plet. Het enige wat je bereikt met deze opmerking, is dat ik ontzettend zin heb om je écht omver te rijden. Je zegt ook niet 'loop me niet omver!' tegen mensen die je tegenkomt. Ik ben bad-ass met stoepen en grint, om iemand heen rijden lukt me prima. Tenzij ik dat niet wil, natuurlijk.’

9. 'Ik stond er maar héél even'
‘Je wilt niet weten hoe vaak ik dit hoor als ik sta te wachten tot er een invalidenparkeerplek vrij komt, omdat een proleet - het zijn bijna altijd mannen - er heeft geparkeerd om even sigaretten te halen. Meestal is het niet 'heel even' en ik zou helemaal niet moeten hoeven wachten omdat iemand die kan lopen te beroerd is om tien meter verder te lopen.’

10. Wat dan ook gezegd op de toon van een kleuterjuf
‘Het komt vaak voor dat mensen die me voor het eerst ontmoeten tegen me praten met een raar hoog stemmetje; alsof ik een klein kind ben. Of heel langzaam en luid alsof ik niet goed bij mijn verstand én doof ben. Of naast me hurken met alle genegenheid van een kleuterjuf. Ik heb mijn VWO én HBO-diploma, een baan, ik ben niet gek en ik ben geen klein kind. Pak even een stoel als je op ooghoogte wilt praten of blijf gewoon staan – hoe vaak praat je niet met een zittende collega? Dit is niet anders. Het zijn maar wielen en is het maar een mobiliteitsdingetje. Verder ben ik gewoon Sacha en heb ik een heerlijk leven.’

×

Zoeken