Direct door naar content
Djoke (59) heeft juist dankzij haar beperking heel de wereld over gereisd afbeelding nieuwsbericht

Djoke (59) heeft juist dankzij haar beperking heel de wereld over gereisd

14 november 2018

Zeg niet tegen Djoke dat ze niet meer kan volleyballen, want dan dat doet ze het juist. Want als het niet meer staand kan, dan kan het nog wel gewoon zittend! 

Nog nooit was Djoke echt ziek geweest of had ze wat gemankeerd. Ze had alleen een klein scheurtje in haar enkel waaraan ze geopereerd moest worden. Toen het verband er weer af mocht, zag de orthopeed gelijk dat er iets niet goed was. Er zaten grote blaren op haar huid. Het verband had waarschijnlijk te strak gezeten. Djoke stortte zich volop in het revalidatieproces. Ze deed al jaren aan volleybal, en dat was wat ze weer ging doen. “Alle acties in het veld deed ik hinkelend.” Ook ging ze trouw naar de fysiotherapeut en deed ze veel oefeningen in het water. Toch werd haar enkel maar niet beter.

“Ik merkte dat het niet meer ging. Ik kreeg mijn schoen niet aan en liep op een slipper, later werd dat een aangepaste schoen. Mijn enkel werd stijf en pijnlijk.” Posttraumatische dystrofie, luidde de diagnose. Posttraumatische dystrofie is een abnormaal sterke reactie van het lichaam op een operatie of verwonding. De aandoening uit zich door pijn, zwellingen, roodheid en vergroeiingen. Djoke kreeg het ook aan de knie van haar andere been. Maar dat ging gelukkig over. Alleen zorgde een infuus voor dystrofie in haar arm. “Staand volleyballen kon niet meer. Toen las ik in de krant iets over zitvolleybal. Daar had ik nog nooit van gehoord. Dat kan dus óók, dacht ik.”

Djoke vond zitvolleybal een uitdaging. “De eerste keer dat ik het speelde, was ik gelijk verkocht. De techniek is hetzelfde als staand volleybal, maar dit spel gaat veel sneller en je moet je zittend verplaatsen. In de Nederlandse competitie mogen trouwens ook valide mensen spelen.”

Het enige wat je voor zitvolleybal nodig hebt, zijn twee gezonde armen. En die had Djoke dus niet meer. “Mijn arts zei: ‘nu kan je niet meer volleyballen.’ Ja, dat bepaal ik zelf wel, was mijn reactie. Ik heb lang getraind om met een arm toch te kunnen volleyballen. Ik had er de pest in dat ik niet mijn beide armen kon gebruiken om te blokken. Na veel trainingsarbeid en een zelfbedachte spalk lukte het uiteindelijk toch. Het mooie van sport is dat je kijkt naar de mogelijkheden die er wel voor je zijn.”

Sporten is Djokes ding, beaamt ze. Naast zitvolleybal heeft ze ook roltstoelbadminton gespeeld. “Ik wilde staand badmintonnen, maar ik moest in een rolstoel, en dat weigerde ik. Uiteindelijk heb ik me er toch bij neergelegd. Zo verloopt het acceptatieproces bij mij. Eerst zet ik mijn stekels op. Daarna laat ik het bezinken, en dan zie ik in dat ik juist door bijvoorbeeld een rolstoel veel vrijer ben om me sneller en over langere afstanden te verplaatsen. 

Na het rolstoelbadminton was het tijd voor het rolstoeltennis, een sport waar Djoke in uitblonk. “Ik hoorde bij de top zes van de wereld en ben heel de wereld over gereisd. Dankzij mijn beperking heb ik zo veel meegemaakt!” Tennissen doet ze nog steeds, recreatief. Zitvolleybal deed ze ook op het hoogste niveau in het Nederlandse team. Daar is Djoke, na ruim 25 jaar, vier Paralympische Spelen en 333 interlands inmiddels mee gestopt. Ze volleybalt nog wel bij een club. Inmiddels staat er weer een andere uitdaging op het programma: triatlons! “In 2016 heb ik daar voor het eerst aan meegedaan. Het is zo gaaf, die combinatie van drie sporten. Het looponderdeel doe ik in een wheeler. En verder mag ik geholpen worden bij de wissels. Ik doe mee met de valide sporters. Mijn doel is om niet als laatste over de finish te komen. Dat lukt ruimschoots. Volgend jaar wil ik heel graag aan een kwart triatlon meedoen.”

Geregeld geeft Djoke op basisscholen en het voortgezet onderwijs presentaties en clinics over haar sport. “’Wie vindt mij zielig?’, vraag ik weleens als ik voor een klas met jonge kinderen sta. Altijd gaan er wel een paar vingers omhoog. Aan het eind van mijn bezoek stel ik die vraag nog een keer. Er gaat dan geen enkele vinger meer de lucht in.”

×