Direct door naar content
Hypermobiliteit: met deze sporten kun je het in je voordeel gebruiken afbeelding nieuwsbericht

Hypermobiliteit: met deze sporten kun je het in je voordeel gebruiken

03 november 2017

Sommige mensen zijn stijf, sommigen zijn lenig en sommigen…. zijn gewoon ronduit hypermobiel. Want als jij meerdere gewrichten hebt met een hoge mate van lenigheid, dan is de kans groot dat jij hypermobiliteit hebt.

Maar maak je geen zorgen,
hypermobiliteit is geen ziekte, het is een verschijnsel. Het komt driemaal vaker voor bij vrouwen dan mannen, en vaker bij kinderen en jongeren dan bij ouderen. Het kan dat je door het ouder worden 'er over heen groeit', doordat het bindweefsel rond gewrichten vanzelf iets stugger wordt.

Alleen, wat is het nou precies? Je banden en pezen zijn bij hypermobiliteit te soepel. Gewrichten krijgen daardoor niet genoeg steun en worden te beweeglijk. En ja, daar kunnen vervelende blessures door ontstaan. Ook als je helemaal niet zo fanatiek sport. Toch is het, als jij hypermobiel bent, juist heel belangrijk dat je sport. Want je spieren en pezen worden sterker, waardoor je minder instabiel wordt.

Want degenen die hypermobiel zijn hebben als ze niet sporten, vaker last van gewrichtspijnen. Of wat dacht je van vermoeidheid? Want pijn kost energie. Maar dit is het worst case scenario, want de overmatige flexibiliteit van je gewrichten hoeft geen klachten te geven. Gebruik het anders in je voordeel! Bij turnen, ballet, zwemmen en zelfs bij honkbal kan hypermobiliteit best handig zijn. Geen zin om een flikflak te leren maken of baantjes te trekken? Dan is krachttraining echt iets om te proberen. Een sterk lichaam betekent dat alle spieren jouw pezen lekker op z’n plek houden.

Ben jij hypermobiel? Doe de test:

Aan de hand van een test waarbij je 9 punten kunt scoren, beoordeel je in wat voor mate er sprake is van hypermobiliteit. Een lage score van 1 betekent dat je een geringe mate van hypermobiliteit is en een hoge score van 9 betekent dat er een meer dan gemiddelde hypermobiliteit aanwezig is.

Test 1
Leg je pols en hand ontspannen op de tafel. Probeer vervolgens met je andere hand je pink te buigen naar je handrug waarbij je pols in een neutrale positie blijft. Doe dit zowel voor je rechter als linker pink. Wanneer je pink verder kan buigen dan een hoek van 90 graden dan scoor je een punt. Je kan dus zowel voor links als rechts een punt scoren.

Test 2
Buig je duim eens tegen de voorkant van je onderarm. Hierbij mag je jouw pols buigen. Probeer dit bij allebei de duimen. Wanneer je jouw duim tegen de voorkant of binnenzijde van je arm kan bewegen, scoor je een punt. Voor beiden kanten levert dit ieder een punt op.

Test 3
Kan je jouw elleboog naar achteren doorbuigen? Strek je armen helemaal uit en kijk naar de hoek van je elleboog. Bij de meeste mensen zal je arm recht zijn, maar het kan zijn dat je elleboog door kan buigen naar achter. Als je elleboog voor meer dan 10 graden naar achteren kan buigen scoor je een punt. Lukt dit aan één kant? Dan heb je een punt! Lukt het allebei de kanten? Twee punten!

Test 4
Lukt het om jouw knieën naar achteren door te buigen? Strek je benen helemaal waarbij ze in het slot komen te staan. Kijk vervolgens naar de hoek van je knieën. Bij de meeste mensen zijn de knieën recht, maar het kan zijn dat je knieën verder door naar achter kunnen buigen. Als jouw knieën voor meer dan 10 graden naar achteren buigen, scoor je een punt. Scoor weer zowel je linker- als je rechter been.

Test 5
Zet je handen eens plat op de grond, terwijl je je knieën gestrekt houdt. Lukt dit? Voila! Weer een punt erbij.

De test die je net hebt gedaan is de Beighton test. Is je score hoog op bovenstaande punten, dan is het verstandig om je mobiliteit verder te laten onderzoeken. Dit kan je doen in overleg met je huisarts of je fysiotherapeut.

×