Direct door naar content
Hoe leg je je kind uit dat iemand met Downsyndroom niet ‘eng’ is? afbeelding nieuwsbericht

Hoe leg je je kind uit dat iemand met Downsyndroom niet ‘eng’ is?

11 februari 2017

Als je vierjarige kind iemand met het Downsyndroom niet wil groeten, omdat hij hem raar vindt. Wat doe je dan? Renee loste het op haar eigen manier op.

We lopen hand in hand door een overdekt winkelcentrum. De baby is thuis bij papa en wij hebben voor het eerst in tijden weer één-op-één-tijd. We moeten naar de HEMA, maar komen stiekem vooral voor een softijsje. Sinds we in de zomer een paar dagen op een camping stonden, zegt hij iedereen op straat gedag. Dat deden ze daar, dus waarom niet in de rest van de wereld? De meeste mensen glimlachen en groeten terug, wat hem helemaal het gevoel geeft dat hij erbij hoort.

Ook vandaag is het raak. Hij groet een man met grijze haren en een kale plek bovenop. Hij groet een mevrouw met een tweeling in een duokinderwagen. Hij groet een puberjongen die dat maar wat gênant vindt en ‘hoi’ terug mompelt om er vanaf te zijn. Dan komt er een stoere jongen met een petje voorbij, die Downsyndroom heeft. Mijn zoontje gaat iets dichter tegen me aan lopen, kijkt de jongen die ons tegemoet komt strak aan, maar groet niet. Voor het eerst die dag. ‘Zeg je geen gedag?’ vraag ik hem wanneer hij bijna naast ons loopt. Mijn zoontje is stil. En dat is hij niet vaak. ‘Nee,’ zegt hij, wanneer de jongen uit beeld is. ‘Ik vind 'm eng. Hij had rare ogen,’ zegt hij zachtjes, alsof hij zelf vindt dat hij het eigenlijk niet mag zeggen. We zijn bij de ijssalon aangekomen, bestellen twee kinderijsje met discodip en moeten daar even op wachten.

Ondertussen razen de gedachten door mijn hoofd. Hoe leg ik hem uit dat de jongen die hij net zag anders is dan hij? Nee, anders is geen goed woord. Hoe zeg ik dat hij eigenlijk hetzelfde is? Nou, hetzelfde is hij ook niet. Ik hurk en zet mijn 4-jarige zoontje op mijn knieën. Ik moet iets zeggen en vertrouw erop dat de juiste woorden vanzelf wel zullen komen. ‘Lieverd,’ zeg ik om zijn aandacht te trekken, nu zijn ogen vooral nog op het ijsjesmenu gericht zijn. ‘Die jongen van net, hè?’ Hij knikt en weet precies waar ik het over heb. ‘Die met die enge ogen?’ Ik knik, al wil ik eigenlijk bezwaar maken tegen zijn woorden. ‘Ik heb je toch wel eens uitgelegd dat jij uit mama’s buik komt.’ Hij vindt het hele zwanger-zijn-gebeuren machtig interessant en spitst meteen zijn oren. ‘In je buik word je van een heel klein zaadje een echt kindje. Je krijgt armen, benen, een hoofd, een buik en billen.’ Hij giechelt om het woorden billen. ‘Niet ieder kind wordt in de buik hetzelfde in elkaar gezet. Zo zijn er kinderen die één teentje meer of minder hebben of waarbij de neus een beetje scheef zit. Die jongen kreeg een chromosoom extra, dat is een soort celletje. Daardoor ziet hij er anders uit dan jij.’ Shit, toch dat woord. Anders. ‘Daardoor heeft hij van die bijzondere ogen. Maar hij is er niet minder lief om. En je kunt hem prima gedag zeggen. Dat vindt hij, denk ik, hartstikke leuk.’ Mijn zoontje fronst, alsof hij de boel even moet verwerken.

Ik twijfel aan mezelf. Heb ik dit juist gedaan? Heb ik teveel nadruk gelegd op de verschillen? Dan is zijn ijsje met discodip klaar. We likken eraan terwijl we langs de etalages terug naar de auto lopen. En dan zien we hem weer. De jongen met het petje. Mijn zoontje ziet het ook en kijkt me aan. Wanneer hij langsloopt, groet hij hem. ‘Hoi, jongen,’ zegt hij. De jongen lacht. ‘Hoi, jongen,’ zegt hij terug. En de jongens lachen allebei een hele brede glimlach.


Wat vind jij van de uitleg die Renée gaf? Hoe zou jij reageren?

×

Zoeken