Direct door naar content
Kon ik mijn jongere ik maar zeggen: ‘Jij blijft niet je hele leven alleen’ afbeelding nieuwsbericht

Kon ik mijn jongere ik maar zeggen: ‘Jij blijft niet je hele leven alleen’

27 maart 2018

Gerhard (42) dacht jarenlang dat niemand ooit voor hem zou vallen. Hij had het geaccepteerd dat hij zijn leven alleen zou leiden. Tot er opeens een vrouw was die meer zag dan zijn rolstoel.

'Eenzaam. Met dat woord zou ik de jaren tussen mijn twintigste en vijfendertigste het beste kunnen omschrijven. Mijn brievenbus zat vol uitnodigingen voor huwelijken en geboortekaartjes. Om me heen bloeiden levens op. Er ontstonden gezinnen. En ik? Ik bleef altijd maar alleen. Tegen de mensen om me heen zei ik: ‘Het is goed zo.’ Laat mij maar lekker alleen, met alle vrijheid die dat met zich meebrengt. Ik durfde niet eerlijk te zijn, dat maakte me veel te kwetsbaar. Ik was bang dat mensen dan medelijden met me zouden krijgen. Of nog erger: dat ze blind dates voor me gingen proberen te regelen.

Nee, dan maar alleen. Dan hoefde ik in ieder geval niet bang te zijn dat ik afgewezen werd vanwege mijn rolstoel. Het gekke is: ik voelde me nooit slachtoffer. Dat de wervels in mijn rug niet goed in elkaar zitten, waardoor ik nooit heb kunnen lopen, was gewoon zo. Maar de angst om alleen te blijven, die was er wel. Misschien heb ik mezelf daarmee jarenlang tekort gedaan. Ik zou zo graag terug gaan naar die tijd om mezelf gerust te stellen. Om te zeggen dat er heus wel iemand voorbij zal komen die me liefde geeft. Ik weet inmiddels dat het zo is.

Astrid is alweer vijf jaar mijn vrouw, en nog altijd dé vrouw van mijn dromen. Ze geeft me alles waarvan ik dacht dat ik het nooit meer zou krijgen: liefde, warmte, het gevoel dat er iemand bij je hoort. Pas onlangs vertelde ik haar hoe ik me voelde voor zij in mijn leven kwam. Ik bereidde me voor op een leven alleen. Soms zag ik mijn broer en mijn schoonzus even naar elkaar knipogen, even contact maken op een drukke verjaardag, en dan sprongen de tranen in mijn ogen. Niemand knipoogde naar mij. Ik ging er voordat Astrid voorbij kwam ook vanuit dat niemand dat ooit zou doen. Tot ik op een regenachtige ochtend besloot naar de bibliotheek te gaan. Een nietszeggende beslissing, zo leek het toen, maar achteraf gezien de belangrijkste die ik ooit maakte.

In de bieb ontmoette ik Astrid. Ze werkte er en hielp me om een boek van Connie Palmen van de bovenste plank te pakken. We raakten aan de praat over het boek. Zij had het ook gelezen. Er sprong iets over, een vonk noemde Astrid het later zelf. Zij kende dat soort woorden, ik niet. Ik had dat nog niet eerder meegemaakt. We zagen elkaar steeds vaker, wisselden boeken uit en daarna ook zoenen. Ik vergeet nooit hoe ik me voelde na mijn eerste tongzoen ooit. Het was alsof alles om me heen opeens zacht en lief was. Alsof er geen grijs en zwart meer was, maar alleen lieve kleuren. Ik heb nooit gedacht: wat moet zij met mij? Ik voelde vanaf het eerste moment hoe gek ze op me was. Ik voelde oprechte liefde en dat nam alle twijfel weg.

Astrid gaf me alles waar ik van droomde. We werden samen een gezin. Dat voelde al zo voordat onze zoon Kay geboren werd. Zij gaf me een leven waarvan ik dacht dat het niet voor mij weggelegd was. Wel dus! En ik doe het nog goed ook, als vader en als echtgenoot. Tenminste, dat vertellen zij me. Ik zou dolgraag teruggaan naar mijn jaren als twintiger, om dit aan mezelf te vertellen. Dat het even zou duren, maar dat er uiteindelijk een vrouw voorbij zou komen die voor mij ging. Dat vooruitzicht had de eenzaamheid uit die tijd weg kunnen nemen. Dan waren de geboortekaartjes en huwelijksuitnodigingen niet meer jaloersmakend of confronterend, maar toekomstmuziek voor mezelf. Had ik dat toen maar geweten.’

×