Direct door naar content
Martijn (26, spina bifida): “Ik werd chagrijnig toen ik niet meer sportte”   afbeelding nieuwsbericht

Martijn (26, spina bifida): “Ik werd chagrijnig toen ik niet meer sportte”  

08 november 2018

Je wordt er niet blij van als je je sport niet meer kunt uitoefenen omdat je in een rolstoel belandt en letterlijk aan de zijlijn moet toekijken hoe je teamgenoten het doen. Maar Martijn Dokkum zit allang niet meer aan de zijlijn. Sterker nog: hij speelt beter dan ooit. 

Ook al heeft Martijn spina bifida (open rug), er is een tijd geweest waarin hij niet in een rolstoel hoefde te zitten en kon lopen, rennen en sporten. “De opening in mijn ruggenwervel zit vrij laag. Tot mijn veertiende groeiden mijn benen daarom mee met de rest van mijn lichaam en kon ik dus lopen.” Helaas stopten Martijns benen alsnog met groeien. Zijn lichaam werd te groot om nog langer door zijn benen gedragen te kunnen worden. Dat had best wat consequenties. “Ik kreeg last van botontsteking, daarom moest ik noodgedwongen in een rolstoel. Die rolstoel zou tijdelijk zijn, een maandje maar. Alleen kreeg ik daarna weer last. De dokter zei dat als ik zou blijven lopen, mijn knieën uiteindelijk zouden breken.” Dat was het moment dat de rolstoel niet een tijdelijk hulpmiddel was, maar definitief. 

Martijn, die al zes jaar lang op korfbal zat, moest zijn team gedag zeggen. “Eerst ging ik er nog heen met mijn rolstoel om naar hun wedstrijden te kijken. Het is toch je team.” Maar aan de zijlijn zitten, daar werd hij ook niet blij van. Zoek het maar uit, dacht hij. Sindsdien zat Martijn voornamelijk thuis en eigenlijk vond hij dat prima. Zijn ouders dachten daar heel anders over. “Je wordt chagrijnig en je bent niet meer de Martijn die we kennen, zeiden ze tegen me. Ze vonden dat ik weer moest gaan sporten.”  

Rolstoelkorfbal bestaat nou eenmaal niet. Daarom werd het rolstoelbasketbal. Al had Martijn al veel ervaring met een balspel, rolstoelbasketbal hield in dat hij heel veel nieuwe dingen moest leren. “Ik had totaal geen ervaring met een rolstoel. Rolstoelbasketbal is heel hectisch, je moet én op je rolstoel én op de bal letten. Elke week stonden de blaren letterlijk op mijn handen.” Het is net als lopen, legt Martijn uit, dat moet je ook leren. Soms waren er dingen die hem tijdens een training niet lukten. Daar kon hij weleens chagrijnig van worden. Toch dacht hij steeds: volgende keer beter. 

Dat hij beter werd, kan je wel zeggen. Hij schopte het tot het Nederlands rolstoelbasketbalteam en trainde twintig uur per week. Daarna ontdekte hij het rolstoelhandbal, en nu beoefent hij beide sporten. Ook bij deze sport schopte hij het tot het Nederlands team. Van zijn teamgenoten leerde hij ook hele praktische dingen, waar hij in het dagelijks leven ook veel profijt van heeft. “Ik heb nooit een rolstoeltraining gevolgd, de handige trucjes leerde ik van mijn teamgenoten. Een wheelie maken bijvoorbeeld. Want je wilt toch een stoepje op kunnen in je rolstoel.”  Tijdens het oefenen van een wheelie is hij vaak gevallen. Erg? Niet echt, volgens Martijn. “Het ergste wat er kan gebeuren is dat je een halve meter achterover valt. Als je leert lopen val je ook, dus uit je rolstoel vallen hoort er ook bij.”

Martijn is dus letterlijk gehard. Ja, het vergt soms wat meer moeite in een rolstoel. En het kostte hem na zijn afstuderen meer moeite om een baan te vinden. Maar het is hem gelukt en hij combineert werk met twee sporten, waarvoor hij vier keer in de week traint. Uiteindelijk zijn dat de momenten om je handicap volledig te vergeten. Simpelweg omdat tijdens een training of een wedstrijd iedereen gelijk is, en omdat het heerlijk is om even helemaal stuk te gaan.

×

Zoeken